Icon--npo Icon--EO Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--pinterestCircle Icon--facebook Icon--facebookCircle Icon--twitter Icon--snapchat Icon--instagram Icon--clip Icon--whatsapp Icon--pinterest Icon--youtube Eva Logo
kindertehuis pleegzorg
20 juli 2018 in Hoofd & hart

‘Mede door mijn groepsbegeleidster ben ik geworden wie ik nu ben’

Jolanda (49) werd door haar moeder afgestaan en groeide bijna negen jaar op in een kindertehuis op. Een van haar begeleidsters is voor haar heel lang belangrijk geweest. “Als ik driftbuien had, trok ze mij tegen zich aan en bracht mij tot rust.”

“Mijn moeder kon niet voor mij zorgen. Ze had al een dochter uit een andere relatie en ik werd daarbij te veel. Mijn moeder hield de zwangerschap tot het einde toe voor de familie en omgeving verborgen. Ze was lid bij de gereformeerd vrijgemaakte kerk en wilde dat ik op deze manier opgevoed zou worden. Ik kwam in een kindertehuis in Utrecht terecht en na een jaar ging ik naar de Driehoek in Ede, een christelijk kindertehuis.” 

Familiegevoel

“Ik groeide op met de begeleiders van het kindertehuis. Later hebben de begeleiders mij verteld dat ze een gezinssituatie probeerden te simuleren. Ze probeerden een mannelijke en vrouwelijke begeleider tijdens eenzelfde dienst te plannen. Voor mij was er helemaal geen familiegevoel. Ik wist niet wat dat was. Soms ging ik bij vriendinnetjes thuis spelen en dan vond ik het vreemd dat ze een vader en moeder hadden. Een huis, een badkamer een wc. Daar had ik wel vragen over aan de begeleiders. In ons kindertehuis hadden we meerdere badkamers en wc’s.”

Ik dacht: niemand wil mij

“Ik werd in verschillende pleeggezinnen proefgeplaatst, maar dat ging om een of andere reden nooit helemaal lekker. De pleeggezinnen stuurden mij terug naar het kindertehuis. Vandaar uit werd er weer verder gezocht naar een geschikt pleeggezin. Soms voelde ik mij een wegwerpartikel. Ik voldeed niet aan de normen van een gezin. Ik dacht: ‘Niemand wil mij, ik ben niet geliefd en niet aardig.’ Een pleeggezin zei dat ze toch liever een baby hadden.”

Jaloers

“Het kindertehuis had verschillende groepen. In een aantal groepen heb ik gewoond. Na een aantal jaren verhuisde ik dan weer naar een andere groep met andere begeleiders. Ik was de enige die zolang in een kindertehuis woonde. Er kwamen ook kinderen die tijdelijk uit huis werden geplaatst. Ik merkte dat ze vaak een paar maanden bleven en daarna weer naar hun ouders terugkeerden of elders ondergebracht werden. Dan was ik soms wel eens jaloers. Zij hadden ouders en een familie, maar ik had niemand. Nu weet ik dat de kinderen die terug naar huis gingen het niet altijd goed hadden. Ik had het in het kindertehuis wèl fijn. Als ik in een pleeggezin was, verlangde ik terug naar de Driehoek, want dat voelde vertrouwd. Natuurlijk was dat dubbel. Te lang in een kindertehuis wonen is niet goed vanwege hechtingsproblemen. Toch heb ik er acht jaar gewoond, omdat ze geen pleeggezin konden vinden dat bij mij paste.”

Groepsbegeleidster bedanken

“Een groepsbegeleidster heeft lang voor mij gezorgd. Ik heb een aantal jaren bij haar in de groep gewoond. Ook kwam ik soms bij haar in het weekend thuis als iedereen op weekendverlof ging. Zij bood mij veiligheid. Ze begreep dat ik het als klein meisje moeilijk had. Ze vertelde mij laatst dat als ik driftbuien had, ik mij op de grond liet vallen en niet ademhaalde. Dan trok ze mij tegen zich aan en bracht mij tot rust. Ze heeft mij veel liefde en aandacht gegeven en een waardevolle rol in mijn leven gespeeld. Laatst zei ze: ‘Als er wat gebeurde en je werd verdrietig of boos, dan haalde ik je uit de groep en gingen we samen ergens zitten.’ Ze wist precies wat ik nodig had en ze was nog maar een jaar of achttien. Ik heb veel om haar gegeven. Mede door haar ben ik geworden wie ik nu ben. Zij was duidelijk in haar opvoedingsmethode, en een nee was een nee. Dat had ik heel erg nodig. Als ik nu foto’s kijk valt het mij op dat ik altijd bij haar zat.”

Pleeggezin

“Rond mijn negende kwam ik in een pleeggezin in Pernis terecht. Dat was niet altijd even makkelijk, want ik had ook een eigen willetje. Ze hadden zelf geen kinderen en daarom kreeg ik alle aandacht. Het was enorm wennen om geen kinderen meer om mij heen te hebben. Ik vond het moeilijk om mijn pleegouders te vertrouwen en mijzelf te hechten. Houden van iemand en mezelf over leren geven, was lastig. Dat is een hele strijd geweest, maar ik ben hen als mijn ouders gaan zien en houd zielsveel van ze. Rond mijn zestiende kregen ze zelf een biologisch kindje en daarna volgden er nog drie. Ik vond het geweldig om er drie broertjes en een zusje bij te krijgen. Op mijn negentiende ging ik op kamers wonen vanwege mijn studie.”

'Ze vond een brief bij onze  biologische moeder'

“Als kind was mij niet verteld dat ik was afgestaan. Ik had nooit vragen, want ik wist niet beter dan dat het kindertehuis mijn thuis was. Toen ik zestien was, heb ik mijn moeder via bemiddeling van de jeugdbescherming ontmoet. Ik heb haar mijn vragen kunnen stellen en had hierna een tijdlang geen contact meer met haar. Sinds een paar jaar spreken we elkaar weer. Ik weet nog steeds niet of haar broers en zussen van mijn bestaan afwisten. Ze zijn inmiddels allemaal overleden. Ik heb nu ook contact met mijn halfzus die vier jaar ouder is. Zij vond ooit een door mij geschreven brief bij onze biologische moeder en kwam er zodoende achter dat ik ook bestond. We hebben een goede band samen.”

“Ik ben heel lang boos geweest omdat het contact met mijn biologische moeder slecht verliep, maar gelukkig is het contact nu goed. In 2007 ben ik gedoopt en heb ik alles achter mij gelaten. Ik heb al mijn verdriet en boosheid bij God neer kunnen leggen.”