Icon--npo Icon--EO Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--pinterestCircle Icon--facebook Icon--facebookCircle Icon--twitter Icon--snapchat Icon--instagram Icon--clip Icon--whatsapp Icon--pinterest Icon--youtube Eva Logo
14 augustus 2018 in Lifestyle

Zomerleesverhaal: Drama-vriendinnenweekend

Lezen, dat doen we graag in de vakantie. Daarom een verhaal van Corien Oranje, voor in de hangmat, de achtertuin, of op de camping. “'Waarom,' kreun ik, als ik naast Rolf op de bank zit. 'Waarom! Waarom ik?' Ik roep mezelf tot de orde. Niet zeuren. Het is maar een weekend. En ik kan altijd op zondag teruggaan, natuurlijk. Of op zaterdagavond."

De telefoon gaat op het moment dat ik eindelijk op de bank wil ploffen nadat ik drie kinderen op bed heb gelegd en zes verhaaltjes heb voorgelezen. “Heeeee Sari, met Monique! Hoe gaat ie? Alles goed? Zeg, kan ik heel even langskomen? Ik wil je wat vragen.”

Als ze maar niet vraagt of ik haar pleinwacht overneem

“Tuurlijk!,” zeg ik, iets vrolijker dan de bedoeling is. “Kom maar langs hoor.” Als ze heeft neergelegd, slaak ik een diepe zucht. Als Monique langskomt, wil ze iets. Dan heeft ze iemand nodig voor de juffenbedankcommissie, of er moet een column voor het kerkblad geschreven worden, of er is iemand uitgevallen voor de collecte van de Nierstichting. Wie zou je anders vragen dan een subassertieve collega-moeder die twee ochtenden per week komkommers plukt in een kwekerij en voor de rest zeeën van tijd heeft, en o ja, tussen de bedrijven door drie kinderen opvoedt en de kinderen van andere moeders opvangt. Als ze maar niet weer van me vraagt dat ik haar pleinwacht overneem, of nog erger, of haar kinderen bij me kunnen blijven slapen wanneer zij en haar man een weekendje naar Madrid gaan.

Tomeloze energie

Rolf kijkt op. “Wie was dat?”

“Monique.”

“Moet je weer wat voor haar doen?”

“Ze wil alleen maar langskomen,” zeg ik, terwijl ik snel zakdoekjes en lege bekers en glazen begin te verzamelen. Snel, alles naar de keuken, vóór ze ziet wat een bende het hier is. Ik stapel kranten en tijdschriften op, trek een lampenkap recht, gooi mijn haakwerk in een mand. En dan staat ze ineens middenin de kamer.

“De bel doet het niet, dus ik dacht, ik kom maar achterom!” Het is net of ze met haar tomeloze energie heel de kamer in beslag neemt. Of ze mij wegvaagt. “Hoe gaat het hier?” Ze haalt een vinger over de stoffige piano. “Gaan we buiten zitten?”

“Heb je zin in thee?,” vraag ik, terwijl ik buiten snel een paar stukjes aardappel van de kussens van de tuinbank veeg. 

“Doe maar koffie. Haha, zo te zien hebben jullie gebakken aardappels gegeten.”

Ik háát fietsen. Hoe kom ik hier onderuit?

“Ik heb een idee,” begint ze, wanneer ik de koffie heb neergezet. “Mijn zus zit met een vriendin in een huisje op Schiermonnikoog, middenin de duinen, en ze vroeg of ik ook zin had om een paar dagen te komen…”

“O, wat leuk!” Hm. Dat betekent dat ik haar dochters uit school moet meenemen.

“… voor vier personen, dus ze zei, neem een vriendin mee, en toen dacht ik aan jou, lekker toch, samen een paar daagjes ertussenuit? Een vriendinnenweekend, zeg maar.”

“Ehm,” zeg ik, en ik denk koortsachtig na, maar ik kan niets bedenken. Een vriendinnenweekend?

“Ik betaal hoor,” gaat ze snel verder, “ik bedoel, het is mijn idee.”

“Nee, nee, dat bedoel ik niet, ik kan best voor mezelf betalen.” O nee. Wat zeg ik nu! “Alleen, ik weet niet of ik kan, natuurlijk. Wanneer is het?”

“Vrijdag!” Ze kijkt me triomfantelijk aan. “Ik zat te denken, als we nou om een uur of elf vertrekken, op de fiets, het is vijfenveertig kilometer, sparen we meteen de benzine uit en het geld voor de parkeergarage, en het is natuurlijk heerlijk om zo’n eind te fietsen.”

Niet zeuren. Het is maar een weekend

Ik háát fietsen. Ik haat het Groninger land. Of het Friese. In elk geval, dat kale, uitgestrekte, boomloze landschap, rechte wegen, dijken en weilanden en verder niks. Hoe kom ik hier onderuit! Ik pak mijn beker koffie, neem een grote slok en brand mijn tong. “Au. Dat komt een beetje onhandig uit, denk ik. Ik bedoel, de kinderen hebben gewoon school op vrijdag en maandag, en…”

Monique steekt een hand op. “Heb ik geregeld! Ik heb Rian gevraagd of ze de kinderen vrijdag uit school kan meenemen, en dat vindt ze prima, echt waar. En ik denk dat Rolf ze dan wel naar school kan brengen, maandag, toch?”

“Waarom,” kreun ik, als ik naast Rolf op de bank zit. “Waarom! Waarom ik?”
Rolf schudt zijn hoofd. “Sari. Dan ga je toch niet!”
“Ik heb al ja gezegd.” Ik sluit mijn ogen en zak onderuit.
“Bel haar op en zeg tegen haar: ‘Ik heb me bedacht.’”
Voor mannen is het leven zo makkelijk. “Nee, echt, Rolf. Dat kan niet.”
Ik roep mezelf tot de orde. Niet zeuren. Het is maar een weekend. En ik kan altijd op zondag teruggaan, natuurlijk. Of op zaterdagavond. En misschien is het wel leuk.

Ik wil niet dat ze denkt dat ik een watje ben

Vrijdagmorgen. Het weer is vannacht totaal omgeslagen. De temperatuur is minstens tien graden gedaald, de lucht is grauw en het regent. Hard. “Zullen we maar met de auto?,” sms ik naar Monique, en dan wis ik mijn sms’je, want ik wil niet dat ze denkt dat ik een watje ben. Laat zíj het maar voorstellen.

Om twaalf uur staat ze voor mijn huis. In een geel regenpak. Op laarzen. “Heerlijk hè!,” roept ze stralend. “Lekker fris!”

Ik trek grommend mijn regenjas aan, bind mijn tas met snelbinders achterop mijn fiets en doe de deur achter me op slot.

“Heb je geen regenbroek?,” informeert Monique.

“Nee.”

“Nou ja, geeft ook niet, want om twee uur stopt het met regenen, zag ik op Buienradar. Dus dan word je zo weer droog geblazen.”

"Kijk uit!,” roep ik naar Monique

Vóór we de straat uit zijn, is mijn broek nat. Als we in de stad zijn, ben ik compleet doorweekt. Mijn schoenen soppen, mijn handen zijn koud, mijn haar sliert door mijn ogen. Monique fietst stevig door. “Over de Friesestraatweg en dan via Aduard, oké?” roept ze over haar schouder.

Ik zeg niks. Ik probeer haar bij te houden, maar ik raak steeds verder achter. Langs de flats, door het tunneltje, het fietspad langs de N355 op. We hebben de wind pal tegen, de regen striemt in mijn gezicht. Sukkel! Zeg dan ook niet meteen ja als iemand je wat vraagt. Zeg dan toch dat je erover na wilt denken! Een vrachtwagen dendert langs, precies door een plas, ik word besproeid met modderwater. “Kijk uit!,” roep ik naar Monique, die gevaarlijk dicht langs de weg rijdt, maar ze hoort me niet, en ze hoort de vrachtwagen volgens mij ook niet, want ik zie aan haar beweging dat ze schrikt als hij haar inhaalt. Ze slingert, en heel even ben ik bang dat ze onder de wielen belandt, maar het volgende moment zie ik haar van het fietspad in de berm belanden, en dan als in slowmotion van haar fiets af het water in vliegen.

Ik grijp haar hand

Mijn hart slaat een slag over, en ik spurt naar haar toe, spring van mijn fiets en ren naar de kant. “Monique!”

Ze ligt middenin het kanaal, en ik baan me een weg tussen het riet. “Monique!”

Ze zakt onder, komt weer omhoog, en doet een poging om te gaan staan. Ik pak een paar rietstengels beet, leun zo ver mogelijk voorover en grijp haar hand. Ik probeer haar omhoog te helpen, het water uit, maar ze werkt nauwelijks mee. En dan ineens is er hulp. Een man van middelbare leeftijd grijpt haar bij haar arm en trekt haar het water uit. Ze blijft als versteend op de oever zitten, het water druipt uit haar haar, uit haar kleren. Haar laarzen is ze kwijtgeraakt.

“Heb ik haar geraakt?” Ik besef nu pas dat het de vrachtwagenchauffeur moet zijn. Hij is vlak voor ons gestopt, zie ik nu, en hij hurkt naast Monique neer. “Ik zag het gebeuren in mijn achteruitkijkspiegel, ik dacht… Het spijt me vreselijk, mevrouw. Ik hoop niet dat… Kan ik iets voor u doen?”

“Hoeft niet,” kreunt ze klappertandend. “Het gaat wel.”

“Nou,” zeg ik, “als u iets voor ons zou willen doen…”

"Wil je nog naar Schiermonnikoog?,” vraag ik

We zitten samen in de kamer. De fietsen staan op de oprit, onze natte spullen draaien rond in de droger, ik heb Monique onder de douche gezet, kleren van mezelf voor haar klaargelegd, en toen ze droog en veilig beneden zat, een hete mok koffie in haar handen, heb ik zelf gedoucht. Ik begin het eindelijk weer warm te krijgen.

“Wil je nog naar Schiermonnikoog?,” vraag ik, terwijl ik koffie voor mezelf inschenk. “Als je wilt, breng ik je naar de boot. Met de auto.”

Monique schudt haar hoofd. “Ik geloof het niet,” zegt ze zachtjes. “Ik vind het wel heel rot voor jou, maar ik geloof dat ik het liefst naar huis wil.”

“Vind ik helemaal niet erg hoor. Ik begrijp het helemaal. Kom op, ik breng je lekker naar huis.”

Ik voel me vreselijk

Het is zeven uur ’s avonds als de telefoon gaat. “Met Monique!”

“Hé, Monique, hoe gaat het?”

“Hahaha, prima hoor, niks aan de hand, wat een avontuur hè! Moet je horen, weet je wat ik zit te denken? We gaan gewoon morgenvroeg! Om half zeven gaat de eerste boot, maar dat is een beetje vroeg – zullen we om half tien gaan? Hebben we toch nog de hele dag. Heerlijk!”

Ik haal diep adem. Kom op. “Nou, weet je, Monique? Ik heb andere plannen. Dus ik ga toch maar niet mee, als je het niet erg vindt.”

Het is heel even stil. “O. Oké. Nou ja. Veel plezier dan, hè. Met je plannen.”

“Jij ook veel plezier,” zeg ik, en ik leg neer. Ik voel me vreselijk. Maar dan voel ik ineens de armen van Rolf om me heen. “Goed gedaan,” zegt hij in mijn nek. “En maak je geen zorgen. Ze komt er wel overheen. Wat zullen we eens voor leuks gaan doen, morgen?”
 

Tekst: Corien Oranje

Dit artikel was te lezen in het zomernummer van 2014. Meer mooie verhalen lezen? Vraag hier een gratis proefnummer van Eva aan!