Icon--npo Icon--EO Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--pinterestCircle Icon--facebook Icon--facebookCircle Icon--twitter Icon--snapchat Icon--instagram Icon--clip Icon--whatsapp Icon--pinterest Icon--youtube Eva Logo
5 september 2018 in Getuigenissen

Elvira: ‘Ik ben een vrouw tussen twee culturen’

In Elvira’s jeugd is er appeltaart én spekkoek, kleefrijst en knakworstjes. Bij haar Molukse familie zit ze elke zondag met alle vrouwen in de keuken. Daar moet ze stil zijn. Bij haar andere opa en oma geniet ze van de oer-Hollandse gezelligheid en deed ze spelletjes. Verscheurd tussen twee culturen probeert Elvira Nanariain jarenlang zichzelf te vinden. Tot ze thuiskomt bij God.

“Mijn ouders waren nog maar 17 jaar toen ze trouwden. Mijn moeder was zwanger van mij. Het was in die tijd natuurlijk heel wat, een Nederlands meisje met een Molukse jongen. En dan ook nog gedwongen trouwen. Mijn kindertijd bracht ik vooral door bij mijn Nederlandse opa en oma, in Ochten, een dorpje in de Betuwe. 

Moluks of Nederlands?

Zij woonden een paar huizen verderop. Zondagmorgen liep ik in mijn pyjama naar hen toe, kleren onder de arm. Dan gingen we samen naar de hervormde kerk. Op die harde houten banken kroop ik tegen mijn oma aan en kreeg ik een pepermuntje. Maar na de koffie moest ik naar opa en oma in Arnhem. Hoe klein ik ook was, ik voelde het verschil. Mijn Molukse familie praatte anders met elkaar, ging anders met elkaar om. Altijd vroegen ze mij: ‘Wat ben je? Moluks of Nederlands?’ Ik wist het oprecht niet. Ik herkende veel van mezelf in mijn Molukse familie. Maar diep in mijn hart was ik liever bij mijn Nederlandse opa en oma. Daar kon ik helemaal mezelf zijn.” 

‘Ik deed mijn best om geaccepteerd te worden’ 

Arnhem en Ochten. Het zijn twee werelden. Als een kameleon past Elvira zich aan aan het huis waar ze was. “Ik was wie de mensen wilden dat ze zouden zien. Altijd een lach op mijn gezicht, nooit nee zeggen. Niet brutaal zijn, ik speelde het lieve meisje. Tradities en gewoontes zijn in de Molukse cultuur heel belangrijk. Je mag als meisje je familie niet te schande maken en je vader niet tegenspreken. Niet hardop lachen. Gehoorzaam meewerken in de huishouding. En zeker niet alleen uitgaan, er moest altijd een neef of een broer mee. In veel Molukse gezinnen gaat het nog steeds zo. Ik deed mijn best om geaccepteerd te worden. Maar vanbinnen was ik niet gelukkig. Ik had altijd het gevoel dat ik nergens bij hoorde.” 

Anorexia 

Haar angst om afgewezen te worden uit zich in haar tienerjaren in een eetstoornis. “Ik wilde mooi gevonden worden. Het begon heel langzaam, met wat zoetjes in de koffie. Anorexia wordt niet voor niets sluipmoordenaar genoemd. Een tante noemde op een dag het beestje bij de naam. ‘Volgens mij heb je anorexia,’ zei ze. En ik dacht: dat kon wel eens waar zijn. Maar het interesseerde me totaal niet. Ik was helemaal verdoofd. Mijn hele leven interesseerde me niet.” 

‘Ik tripte zo, dat ik doodsbang werd’ 

“Ik had een vriendje dat niet trouw was. Ik deed alles om zijn liefde te verdienen. Hij blowde veel. ‘Neem ook een hijsje,’ zei hij dan. Ik had niets te verliezen… Ik had niet in de gaten hoe duister mijn leven was. Maar op een gegeven moment viel het spul niet goed bij me. Ik zag dingen die er niet waren. Ik tripte zo, dat ik doodsbang werd. Dat was het omslagpunt. En ik denk dat het God was die ingreep. Daarna heb ik nooit meer gebruikt. Maar de anorexia bleef, die was mijn houvast. ” 

Vrijheid

De relatie met haar moeder is goed, maar met haar vader heeft ze nauwelijks contact in die tijd. Ze ontdekt wel opnieuw haar hemelse Vader. Op oudejaarsavond 1998 kiest ze voor Jezus. Ze wordt gedoopt en twee jaar later vertrekt ze voor een paar weken naar Curaçao, op uitnodiging van een bevriend zendingsechtpaar. Het worden vier jaar. “Op Curaçao heb ik voor het eerst ervaren wat echte vrijheid is. Dat je gewoon mag zijn wie je bent. Eerlijk gezegd ervaarde ik dat niet in de kerk. Sterker nog, in de kerk was er alleen maar veroordeling. 

Muur van zelfbescherming 

Ik leerde op Curaçao Frans kennen. Hij was niet gelovig. Hij was wel de eerste bij wie ik echt mezelf durfde te zijn. Er was om mij heen nog altijd een muur van zelfbescherming. Als hij te dichtbij kwam, trok ik een schild op. Ik vond het moeilijk om zijn liefde te ontvangen. Maar hij bleef en veroordeelde mij niet. Hij vond me mooi zoals ik was. Hij leerde mij om weer te genieten van uit eten gaan, van een wijntje. Hij respecteerde me en stelde me op mijn gemak.” 

‘Dit moest wel van God zijn’ 

“Helaas gold dat niet voor de mensen van de kerk. Ik kreeg zoveel mails en brieven uit mijn Nederlandse gemeente. Ze waarschuwden mij en schreven dat ik nooit gelukkig zou worden met hem. Het bracht mij in verwarring. Wat mensen over mij dachten, vond ik nog steeds belangrijk. Ik stelde vragen aan God: ‘Maar, Heer, waarom voelt dit dan zo goed? Is dit dan niet van U? Ben ik dan zo verkeerd bezig?’ Maar diep vanbinnen wist ik het antwoord. Dit voelde zo goed. Dit moest wel van God zijn. 

Samenwonen 

Toen Frans voor zijn werk terug naar Nederland moest, ben ik met hem meegegaan. We gingen samenwonen. In de kerk kwam ik niet meer, maar ik had God niet losgelaten. Frans wist dat God belangrijk voor me was en ook dat ik het liefst wilde trouwen. Hij heeft veel gesproken met mijn voorganger in Culemborg. Maar inmiddels woonden we in Haarlem. Daar vonden we een fijne pinkstergemeente. Vaak was ik op zondag te moe van mijn werk. Dan ging Frans alleen naar de dienst. In die gemeente is hij uiteindelijk gedoopt. 

‘Ik was zo klaar met christenen’ 

“Weet je, ik wil niet op de stoel van God gaan zitten. Ik weet dat we allemaal fouten maken. Maar ik was zo klaar met christenen. Toen Frans gedoopt was, wilde ik het wel uitschreeuwen: Kijk nu! Kijk nou eens allemaal! Ook binnen het gezin van de kerk gebeurt zoveel wat niet oké is, ook door mannen van God. En dat is erg, want je krijgt daardoor een vertekend beeld van wie God is. Van de liefde die Hij geeft. Het een diepe wens van mij dat we ook in de kerk onszelf kunnen zijn. Gewoon, normaal. Zonder vrome taal. Kwetsbaar en echt. 

Hoge lat 

Ik denk dat we ons pas goed voelen en compleet als we ergens bij horen. Het zit in ons dat we dat willen. Zelfs in de kerk was ik daarmee bezig. Je bent jezelf niet, als je steeds op je tenen loopt. Je loopt onherroepelijk vast. Ik heb altijd gedacht dat het lag aan de mensen om me heen, aan hun verwachtingen. Maar ik heb ontdekt dat het ook voor een groot deel in mezelf zat. Ik was het zelf die de lat zo hoog legde. Natuurlijk zijn er mensen die door manipulatie of intimidatie je het gevoel geven dat je nooit goed genoeg bent. Ik ben ze tegengekomen en ik heb het laten gebeuren. Met al onze fouten en tekortkomingen, met de domme dingen die we doen, we zijn goed zoals we zijn. Ik geloof dat het niet belangrijk is wat anderen van je denken of van je verwachten. We horen bij God. Ik wist dat wel met mijn hoofd, maar ik begin het nu pas te voelen.” 

‘Voor het eerst kon ik met mijn vader praten’ 

Na haar bekering ontstond bij Elvira het verlangen om ook de band met haar vader te herstellen. Jarenlang had ze nauwelijks contact met hem gehad. “Mijn ouders deden hun best. Ze werkten hard voor hun gezin. We konden alles krijgen op materieel gebied. Maar ze waren ook jong. Ze zagen wel dat het misging, maar wisten niet hoe ze ermee om moesten gaan. Toen ik tot geloof kwam, ben ik voor mijn vader gaan bidden. Dat heb ik 16 jaar lang gedaan en in 2015 zei mijn vader ja tegen Jezus. Toen kon ik voor het eerst met hem praten. We hebben alles tegen elkaar uitgesproken, elkaar om vergeving gevraagd en elkaar vergeving geschonken. Altijd heb ik het idee gehad dat ik niet gewenst was. Dat ik er eigenlijk niet mocht zijn en alleen maar tot last was. Ook dat heb ik uitgesproken. Toen ik dat deed, kreeg ik zo’n liefdevolle omhelzing van mijn ouders. Die acceptatie van mijn ouders is zo genezend geweest voor mij.” 

Spiegel 

“Onvoorwaardelijke liefde. Ik heb dat al die jaren niet toe kunnen laten. Ook niet de liefde van God. Ik was altijd bang om gekwetst of afgewezen te worden. Ik had een vertekend beeld van mannen en ook van God. Pas 17 jaar na mijn doop kwam ik ertoe om mijn verhaal op te schrijven. En terwijl ik schreef, viel het kwartje. Toen dat gebeurde, heb ik dagenlang achter mijn laptop zitten huilen. Ineens zag ik hoe ik mijn hart ook voor God gesloten had. Door het schrijven en alles herbeleven werd mijn hart zachter gemaakt. Heel langzaam heeft God de muren afgebroken. Toen mocht ik mezelf zien door Gods ogen. Ik zag ineens een heel mooie vrouw tevoorschijn komen. Mooi vanbinnen en vanbuiten. Ik kijk elke dag in de spiegel en ik denk echt niet altijd: wow! Natuurlijk heb ik ook zo mijn dagen. Maar ik accepteer mezelf zoals ik ben. Ik kan nu oprecht tegen die vrouw in de spiegel zeggen: ik hou van jou.” 

‘Wat Molukkers nodig hebben, is erkenning’ 

Met haar boek Mengelmoes wil Elvira de Molukse gemeenschap in Nederland een hart onder de riem steken. De eerste generatie Molukkers werd in 1951 gedwongen naar Nederland gehaald, omdat het in Indonesië te onveilig werd. Ook Elvira’s opa en oma. Maar eenmaal in Nederland werden ze aan hun lot overgelaten. Omdat hun terugkeer was beloofd, mochten ze niet werken. Ze hoorden er niet bij en werden niet erkend. Integratie was nog niet uitgevonden… 

“Tijdens het schrijven kwam het verdriet van mijn opa en oma bij mij naar boven. Het was alsof ik dat zelf moest voelen. Mijn bewogenheid was zo groot, er kwamen zoveel tranen. Ik voelde op dat moment ook echt Gods aanwezigheid. Hij is erbij, waar ik ook doorheen moet, hoe moeilijk het ook is. Jarenlang heb ik tegen de Molukse cultuur aangeschopt. Ik wilde me ervan losmaken. Maar nu brandt mijn hart voor vrouwen en voor Molukse mensen. Dat is ook God. Hij draait alles om! Er is bij de Molukse bevolking zoveel koppigheid, zoveel negatieve trots. Het komt, denk ik, allemaal voort uit het niet-erkend zijn. Wat zij nodig hebben is erkenning.” 

Geworteld 

“Veel Molukse jongeren zoeken een uitweg in drugs of verslavingen. Ik weet dat daar geen hoop te vinden is. Als ik nu terugdenk aan wat ik heb meegemaakt, weet ik dat God het gaat gebruiken. Mijn ellende zet Hij om in kracht. En dat wil ik hun vertellen. Ik wil hen helpen om hun kwetsbaarheid te laten zien. Als je ontworteld bent, zoals ik dat was, dan vind je alleen kracht als je geworteld bent in God. Dat geeft een bodem onder je leven. Ik zeg niet dat dan je problemen voorbij zijn. Maar zijn aanvaarding en liefde maken het draaglijk en geven hoop. Dat is wat God gedaan heeft in mijn leven. En dat wil ik aan hen doorgeven.” 

Dit artikel is te lezen in de meest recente editie van Eva magazine (september 2018). Vraag hier gratis een proefnummer aan! Correctie van de redactie: in het magazine staat per abuis het jaartal 1961 bij het moment waarop de Molukkers gedwongen naar Nederland werden gehaald. Het juiste jaartal is 1951. 

Wil je het hele verhaal van Elvira lezen? Haar boekje Mengelmoes kun je bestellen via haar website. Elvira spreekt ook voor vrouwen en organiseert verwenmiddagen. Ook daarover vind je meer informatie op haar website. 

Tekst: Jacomine Oosterhof 
Beeld: Marleen Sahetapy