Eva Logo
Mission kid
14 juli 2020 in Lijf & leven

Mission kid: ‘Door het overlijden van mijn zusje werden de ogen van de Papoea’s geopend’

Mirjam Molenaar (42) groeide als ‘mission kid’ op in Irian Jaya. Haar vader was daar dertien jaar zendeling. Ondanks de primitieve en gevaarlijke omstandigheden, voelde Mirjam zelf ook een groot verlangen om werkzaam te zijn in de zending. “Nadat mijn ouders weer in Nederland gingen wonen, hield ik van binnen een onrustig gevoel.”

Mirjam: “Ik ben een ‘mission kid’. Mijn vader was emeritus predikant binnen de gereformeerde gemeenten. Hij leidde tussen 1974 en 1987, op Irian Jaya (het huidige Papoea) predikanten op. In 1974 werd hij met spoed naar Irian Jaya gestuurd omdat een zendingspost werd verwoest. Veertien inlandse evangelisten werden vermoord en opgegeten. Voor de plaatselijke inwoners stond vast dat hun geliefden waren vermoord, doordat zij christen waren geworden. De zendelingen in dat gebied werden geëvacueerd omdat werd gedreigd ze te vermoorden. Mijn vader en moeder bleven achter, met enkel een bijl om zich te verdedigen, mochten zij worden aangevallen. 

Mijn moeder vond het heel moeilijk om als zendingsechtpaar met twee kleine kinderen in een levensgevaarlijk gebied te moeten wonen. God liet haar echter zien dat Hij daar een taak voor hen had.

Overlijden

In 1976 kregen mijn vader en moeder hun derde kindje, een meisje. Vrij snel na haar geboorte werd zij ernstig ziek. Ze kreeg hersenvliesontsteking en moest onmiddellijk naar het ziekenhuis voor medische zorg. Omdat mijn ouders in zulke primitieve omstandigheden leefden, duurde het te lang voordat er een vliegtuig kwam om mijn zusje te vervoeren en stierf ze. God heeft haar overlijden gebruikt om de ogen van de Papoea’s te openen.

‘Het duurde te lang voordat een vliegtuig mijn zusje kon vervoeren’

Zij hadden de traditie om de overledenen in een net in een boom op te hangen of te verbranden. Toen zij zagen dat mijn ouders mijn zusje gingen begraven, waren ze erg geraakt. Het was voor het eerst dat zij zoiets meemaakten. Het opperhoofd zei: ‘Als dit bij christenzijn hoort, dan wil ik ook begraven worden als ik sterf.’ Dat was een groot omkeerpunt in de jonge gemeente daar. Je kunt wel iets met woorden vertellen, maar als je het laat zien, spreekt dat veel sterker.

‘Als mission kid was ik maanden van huis om onderwijs te kunnen volgen’

Er woonden, verspreid over dat gebied, nog meer zendelingen met hun gezinnen. Op een gegeven moment werd besloten om een school voor zendingskinderen te starten. De school rouleerde eens in de drie maanden van locatie, waardoor ik maanden van huis was. Alle kinderen logeerden bij het gezin op de zendingspost, waar op dat moment de school werd gehouden. Ik miste mijn ouders, maar aan de andere kant wist ik niet beter. Het hoorde bij mijn leven. Alleen op zaterdagmorgen om 8 uur kon ik radiocontact met mijn ouders hebben. 

Op een gegeven moment was het onderwijs niet meer toereikend genoeg. Mijn oudste zus ging in Nederland bij mijn opa en oma wonen, zodat zij examen kon doen. Een jaar later was mijn broer aan de beurt. Toen het mijn beurt was, besloten mijn ouders om terug te gaan naar Nederland. Het werd te complex om nog langer gescheiden te moeten zijn van hun drie opgroeiende kinderen.

‘Ik had het gevoel alsof ik niet echt in Nederland hoorde’

Nadat mijn ouders weer in Nederland gingen wonen, hield ik van binnen een onrustig gevoel. Een gevoel alsof ik hier niet echt hoorde. Ik had een sterk verlangen om terug te gaan naar Indonesië en werkzaam te zijn op het zendingsveld. Ik ben de Pabo gaan doen en heb gebeden of God mij wilde laten zien waar Hij mij kon gebruiken.  

God plaatste mijn man Cees op mijn pad. Hij had geen zendingsachtergrond, maar was nieuwsgierig geraakt naar het zendingswerk door een gezamenlijke vriend. Cees volgde een theologische studie met het verlangen om ooit predikant te worden. Maar hij voelde zich steeds meer aangetrokken tot het zendingsveld. Hij is met mij meegegaan naar Papoea en werd diep in zijn hart geraakt. Hij ging inzien dat God hem mogelijk zou roepen voor een bediening over de Nederlandse grens.

Bali

We vertrokken naar Amerika, waar Cees werd opgeleid tot zendingswerker op Bali. Nadat hij zijn studie aan het PRTS had afgerond werden wij als zendingsechtpaar uitgezonden naar Bali. We reisden via Nederland voor het afronden van de TUA, voordat we naar Bali zouden vertrekken, maar kregen onverwachts te horen dat het zendingsproject op Bali zelfstandig verder zou gaan. God had een ander plan voor ons. We hebben biddend tien zendingsprojecten aangeschreven. Bij vijf projecten konden zij onze hulp goed gebruiken, maar we hebben gekeken waar de meeste nood was. Dat was op een bijbelschool in Zambia.  

‘We gingen in twee kleine schuurtjes wonen’

Cees is naar Zambia gegaan om erachter te komen of dit de plek was waar God hem wilde plaatsen. Toen hij daar was liet God hem duidelijk weten dat Hij wilde dat we daarnaartoe gingen. Als ik met mijn man mee was geweest, waren we daar waarschijnlijk nooit naartoe gegaan. Het was daar, in mijn ogen, veel te primitief voor onze kinderen.

We gingen in twee kleine schuurtjes wonen. Een schuurtje om in te slapen en een schuurtje om in te wonen. Er was geen elektriciteit, geen internet en geen mobiel netwerk. Het leven kostte zoveel meer energie. Water halen en op een houtvuur opwarmen vergt veel meer inspanning, dan even de warme kraan open te draaien.

Bijbelonderwijs

In de omgeving waar wij woonden waren veel kleine dorpjes. Degenen die konden lezen werden automatisch voorganger in de dorpjes. Het ontbrak vaak aan Bijbelkennis. Op de bijbelschool, waar Cees werkzaam was, kwamen de plaatselijke voorgangers, vier dagen in de week, Bijbelonderwijs volgen, zodat zij de opgedane kennis op zondag weer konden toepassen.

Ondanks dat we veel zegen ondervonden op het werk onder de plaatselijke bevolking voelden wij ons van tijd tot tijd erg eenzaam. Het was moeilijk om echte, diepe verbinding met de dorpelingen te krijgen. Daarvoor waren onze cultuurverschillen vaak te groot.

Verlangen

We hebben vijf jaar in Zambia gewoond en vijf jaar in Malawi. Na tien jaar op het zendingsveld te hebben gewerkt kwamen wij terug naar Nederland. Daar werd Cees, dankzij de wonderlijke leiding van God, voorganger bij de ICF.  De ICF is een internationale gemeente, bedoeld om een geestelijk thuis te bieden aan mensen die dat niet hebben. In deze gemeente zitten voornamelijk mensen met een vluchtelingenachtergrond, die niet makkelijk aansluiting vinden bij de Nederlandse kerken. De ICF gemeente lijkt op een gemengd boeket, heel divers en kleurrijk in alle opzichten. Natuurlijk is deze kerk verre van volmaakt en hebben wij onze fouten en gebreken, maar we proberen ons te richten op hoofdzaken. We zeggen altijd: ‘In de hoofdzaken zijn we één, in bijzaken kunnen we verschillen.’

‘Het verlangen om ooit weer naar het zendingsveld te gaan, blijft’

Ik ben pastoraal medewerker voor de vrouwelijke gemeenteleden. Daarnaast coördineer ik het kinderwerk van de ICF en werk twee dagen in de week als leerkracht op een basisschool. Het verlangen om ooit weer naar het zendingsveld te gaan blijft. Op dit moment weten wij ons geroepen tot deze bediening in Nederland. God weet het vervolg van ons verhaal.”

 

Lees verder: Petra emigreerde met haar gezin naar Oostenrijk en startte een herberg