Eva Logo
oorlog armenië vluchten
20 december 2020 in Lijf & leven

De Armeense Lira en Mira moesten hun land en echtgenoten achterlaten

De Armeense zussen Lira (29) en Mira (26) moesten halsoverkop vluchten voor de oorlog tegen Azerbeidzjan. Hun mannen bleven achter aan het front. Met hun kinderen vonden ze onderdak in een vrouwenkamp, waar ze met honderdveertig andere vluchtelingen wachten tot ze weer terug kunnen. Als dat ooit nog zal gebeuren.

Het was een warme zomerdag in september toen de eerste raketten vielen. Mira herinnert zich hoe haar man afscheid van haar nam. “Hij duwde nog snel een zak speelgoed in mijn hand. Voor Yuri, onze zoon van drie. Dat is eigenlijk alles wat ik heb.” Ze wijst naar een speelgoeddinosaurus en wat autootjes waarmee haar zoontje speelt. Haar zus Lira grinnikt en schudt haar hoofd. “We hadden alleen onze zomerjurkjes aan toen we hier aankwamen. We hielden rekening met een paar dagen. Niet drie maanden, zoals nu. Maar gelukkig heeft de kerk ons geholpen met kleding voor de winter.”

Het kan koud worden in deze omgeving. Dat zijn ze niet gewend, want in Stepanakert, de stad waar zij drie maanden geleden nog in vrede woonden, is het altijd heerlijk. “Ik hou van de bergen waar ik ben geboren. De bloemen, de bossen, onze kloosters en kerken.” Mira pakt haar mobiel en laat foto’s zien van kerken uit de derde eeuw na Christus. Weinig mensen weten het, maar de Armeense kerk is de eerste en daarmee oudste kerk van het christendom.

Ongeloof

Ze toont foto’s van adembenemende ravijnen, groen begroeide hellingen. “Ik kan het nog steeds niet geloven dat moslims onze geliefde geboortegrond hebben ingenomen.” Dan worden de beelden op haar telefoon grimmiger. Ingestorte huizen, vluchtende mensen, een berghelling staat in lichterlaaie.

“Fosforbommen,” fluistert Mira. Ze weet dat haar man daar werkt als soldaat. Haar zus Lira stelt haar gerust. “Onze mannen zijn nog gezond. Godzijdank.” Nog meer foto’s komen voorbij van verwoesting, bloed. Tot ze stopt bij een foto van soldaten die dode lichamen bergen. “Dit is mijn man.” Ze wijst naar een reddingswerker die een brancard over de puinhopen tilt. Lira is trots op hem. “Maar hij schaamt zich dat ze de oorlog verloren hebben.”

Deze oorlog was niet te winnen. Daarover zijn Lira en Mira het eens. Veel berichten van het front krijgen ze niet. Bellen gaat heel moeizaam, vanwege de veiligheid van de soldaten. Maar wat ze hebben begrepen is dat Turkije hun vijand Azerbeidzjan heeft geholpen met drones.

‘Dit was geen eerlijke strijd’

“Robotvliegtuigen zonder piloot. Niemand kon ze horen of zien. Niemand kon zich beschermen.” Mira trekt een verbeten grimas. “Dit was geen eerlijke strijd.” De zussen mogen in hun handen knijpen dat hun mannen nog leven. Dagelijks klinkt er huilen op de gang, als een andere familie hoort dat hun vermiste zoon of vader teruggevonden is.

“Ze hebben nog geen compleet lichaam teruggevonden.” legt Mira uit. “Alleen stukjes.” Het zijn details die haar zus Lira, veel zachter van aard, niet wil horen.

Net als duizenden andere Armeniërs voelen ze zich in de steek gelaten. Vanuit de rest van de wereld was er nauwelijks aandacht voor hun strijd, laat staan politieke of militaire hulp. “Nu er een vredesakkoord is getekend, denkt de buitenwereld dat alles goed komt. Maar we zijn compleet omringd door Azerbeidzjan.”

Nooit meer naar huis

Aida, de moeder van Mira zit op het stapelbed en schudt onheilspellend haar hoofd. Ze heeft al drie oorlogen met Azerbeidzjan meegemaakt en weet hoe diep de haat zit, van beide kanten. “We kunnen ze niet vertrouwen. Zo meteen komt er nog een genocide.” De geschiedenis geeft haar geen ongelijk. In 1915 werden anderhalf miljoen Armeense mannen, vrouwen en kinderen vermoord door de Turken, bondgenoot van Azerbeidzjan. “We kunnen nooit meer terug.” besluit Mira. Ook Lira staart voor zich uit. Dat ze alles kwijt zijn, huis, land, kerk, vrienden, voor beide zussen is het te veel om te bevatten.

Alleen hun moeder Aida weet hoe het voelt. In de zesjarige onafhankelijkheidsoorlog van 1988 sleepte ze haar kinderen van schuilkelder naar schuilkelder. Lira was toen zeven, Mira vier. Dat haar dochters nu dezelfde ellende meemaken grijpt haar bij de keel. Maar ze zit niet bij de pakken neer. Net als vroeger leert ze haar dochters door te vechten, niet aan het front zoals hun mannen, maar daarachter. Zelf draagt ze haar steentje bij door haar kleinkinderen te wassen, aan te kleden, in slaap te sussen en tussendoor de huishouding te doen. “Als familie moeten we nu samen sterk staan. We moeten elkaar helpen, naar elkaar luisteren. Dit is niet de tijd voor gekibbel. Onze mannen vechten daar. Wij vechten hier.”

Verbinding

En dat betekent samen de was doen, samen elkaars kinderen opvoeden, samen elkaars zorgen delen. De oorlog maakt veel stuk en drijft mensen uit elkaar, maar het zorgt ook voor verbinding, hoe pijnlijk ook. De vrouwen van het kamp snappen dat hun mannen hen niet kunnen helpen. Ze moeten het met elkaar zien te rooien, alle honderdveertig.

Ook als de waslijn vol hangt en er ingeschikt moet worden. Of als de luiers bijna op zijn en er gedeeld moet worden. Als de buurkinderen schreeuwen op de gang terwijl het bedtijd is. Als er samen corvee gedaan moet worden in de gaarkeuken. Zo verduren ze samen de spanning en angst van de oorlog.

Klein

Hun kamers zijn veel te klein om samen te leven. Een half klaslokaal met stapelbedden voor vier volwassen en zes kinderen is niet ongewoon. Het is er wel warm gelukkig. En er is op iedere kamer een toilet en een douche. Maar het zorgt voor spanning bij de kinderen, merken Mira en Lira.

“Slapen is elke middag en avond een groot probleem. Ze zijn erg onrustig. Ongehoorzaam ook.” Mira knikt naar haar zoon Yuri van drie, die gevaarlijk hoog op het stapelbed is geklommen en “Armenië, Armenië!” schreeuwt terwijl zijn neefje, het zoontje van Lira, moet slapen. Op de gang spelen pubers oorlogsspelletjes op telefoons. Buiten leren de grote jongens aan driejarige peuters hoe ze een speelgoedgeweer met bajonet in elkaar moeten steken. Dat scheelt een kogel. Taferelen die in Nederland onschuldig lijken, hebben hier een pijnlijke lading.

‘We praten niet over de oorlog, maar de kinderen voelen dat er iets mis is’

Lira knikt. “We praten niet over de oorlog, maar de kinderen voelen dat er iets mis is. Ze vragen naar papa. Ze schrikken van geluiden. Ze zijn bang voor rook of vliegtuigen in de lucht, want het doet ze denken aan de bommen.” Ze haal spijtig haar schouders op. “Ik weet niet hoe ik de oorlog bij ze weg moet houden.”

Oma Aida knikt. Ze knijpt even in de hand van Lira, ter bemoediging. Het zijn de oude vrouwen in dit kamp, de moeders van de moeders, die zorgen voor de extra veerkracht. “We weten niet of er vrede komt. Maar we moeten van elkaar blijven houden. Liefde is ons gevecht.”

Tekst: Jan Willem den Bok