Eva Logo
1 oktober 2021

Vijftien jaar

Geschreven door Francisca Folkertsma. Dit verhaal heeft, samen met 'Thuis op de berg' van Leanne Pots, de tweede plek gekregen in de verhalenwedstrijd van Eva en uitgeverij KokBoekencentrum.

Na het uitchecken haal ik koffie en croissantjes bij de patisserie tegenover het hotel. De geur van amandel en chocolade doet me watertanden. Bij de kassa aarzel ik, dan wijs ik toch op de blikken trommeltjes met Luxemburgse pralines. “Mag ik er daar twee van?”
Buiten stuur ik een appje naar Joeri. Klaar. Kom je?
Nog voor ik hem zie, ruik ik hem al. Met Sinterklaas kreeg hij zijn eerste aftershave van mijn ouders. Aanvankelijk vond hij het helemaal niets, maar de laatste dagen bespeur ik die onmiskenbare muskusgeur. Zou hij verliefd zijn?
“Je houdt je adem weer in,” zegt Joeri.
Ik glimlach. “Jij merkt ook alles!”
“Dat is overduidelijk mam. Hoe je kijkt. Je trekt een superraar gezicht.”
Langzaam adem ik uit. Vandaag is het zover. De kartonnen bakjes en bekers van gisteren liggen nog op de achterbank van de Prius. Ik gooi alles in een pedaalemmerzak.
Vierenhalf uur te gaan. Ik neem twee paracetamol en leg mijn creditcard klaar voor de tolweg. Joeri’s duimen vliegen over het touchscreen van zijn iPhone. De nieuwe legerjas staat mooi bij zijn olijfkleurige huid. Hoe hij aan die tint komt, heeft hij nooit gevraagd. Maar nu is het tijd. Ik verstevig mijn grip op het stuur. Op de rondweg twijfel ik nog heel even, maar voeg dan in op de rijstrook richting het zuiden.
Halverwege de ochtend maken we een tussenstop. De restafvalcontainer op de parkeerplaats zit vol, het deksel leunt op een berg van milkshakebekers. In de hoek van de container ligt een doorgelekte luier. Borstvoedingspoep. Ik stap naar achteren, leg ons afvalzakje naast de container op de tegels en pak mijn handtas.
“Wat gaan we daar eigenlijk doen, mam?”
“Gewoon, wandelen, andere mensen ontmoeten. De heuvels zijn prachtig. Drie keer per dag is er een soort viering. Het is nu nog heel rustig daar, de meeste mensen gaan “s zomers.”
“Ik ga echt niet drie keer per dag naar de kerk.”
“Misschien zijn er wel andere jongens van jouw leeftijd. Of meiden!” zeg ik en por hem in zijn bovenarm. Joeri bloost snel, dat heeft hij van mij.
“Hebben ze hier chocoladebroodjes?”
“Zeker weten. We zijn in Frankrijk!” zeg ik en strek mijn hand uit om door zijn dikke zwarte haar te woelen. Net op tijd bedenk ik me. Hij is een kwartier bezig geweest om ieder haartje op de juiste plek te plakken.
Het schort van de man bij de kassa zit vol ingedroogde vlekken. Op de tafeltjes zie ik koffiekringen en kruimels. Ineens heb ik het benauwd. In mijn tas zoek ik naar zakdoekjes.
Als we aan de beurt zijn, bestel ik heet water. Van thuis heb ik theezakjes meegenomen. Niets werkt zo kalmerend als zelf gedroogde muntthee.
“Gaat het mam? Mag ik ook nog een donut?”
“Hoe houd je het binnen!” zeg ik. “Weet je zeker dat je niet misselijk wordt? Hier, reken zelf maar even af.” Ik geef hem een vijfeurobiljet.
Ik wacht buiten. Voor mijn voeten ligt een half uitgetrapte peuk, de rook kringelt omhoog. De wolken hangen laag. Ik haal een tissue over mijn voorhoofd en zet mijn telefoon op selfiestand. De pukkel op mijn kin is alweer zichtbaar, ondanks de dure concealer die een uitstekende camouflage beloofde.
Verderop staan een paar meiden elkaars schouders te masseren. Hun strakke jeans tonen gespierde kuiten en ronde billen. Ik wend mijn blik af en zak neer op de hoge stoeprand. Zwarte reuzenmieren slepen met een halflege suikerstick. Gevallen korrels worden verzameld door aansnellende werksters, om te verdwijnen tussen het klein kruiskruid. De naam van dit onkruid zocht ik op toen Joeri een baby was. Jarenlang strooide ik handenvol zout tussen de tegels, maar het zit er nog steeds.
“Hier, mam.” Joeri laat het wisselgeld vallen in mijn uitgestoken hand. De munten voelen zweterig aan.
“Is het gelukt?”
“Ja, ze verstonden Nederlands. Gaan we?”
De februariochtend voelt fris, als een prille belofte. Terug bij de auto zet ik alle raampjes open. In het spiegeltje zie ik de velletjes op mijn lippen. Ze bloeden als ik eraan trek. Ik heb een roze Labello gekocht, als een meisje dat naar de brugklas gaat.
“Mam!”
Ik wrijf mijn lippen over elkaar, start de auto en sluit de raampjes. Bij het verlaten van de parkeerplaats voel ik mijn maag. Ik slik om het opkomende maagzuur tegen te houden en pak een Rennie uit mijn handtas. “Wil je kauwgum voor mij pakken? Doe er maar twee,” vraag ik Joeri. Ik kauw op de Rennie en slik nog eens. Het voelt alsof ik een drempel over moet. We kunnen nog terug. Dan voeg ik in, richting Dijon.
“Je mag hier toch harder, mam?”
“Dat klopt. Maar ik vind het prettig om honderd te rijden.”
“Toen we naar Keulen gingen, reed je honderdvijftig.” Joeri typt op zijn telefoon. “Je mag honderddertig! Dit is een slakkentempo.”
“We hebben geen haast. En slakken zijn dieren om jaloers op te zijn. Het zijn echte overlevers.”
“Jaloers op een slak? Mam!” Hij opent Wordfeud. “Opa heeft ‘verwant’ gelegd. Achtentwintig punten!”
Ik laat de autoradio zoeken naar een Franse nieuwszender. Zonder moeite volg ik het rappe gesprek. Bij Chalon-sur-Saône verlaten we de tolweg. Nog drie kwartier. Mijn maag protesteert hevig. Ik slik, en nog eens. Langs de weg staan stenen huisjes, kale bomen, hier en daar een boerderijtje. Ineens heb ik het koud. Van de achterbank pak ik mijn wollen vest en leg dat over mijn knieën. Het laatste stukje, onderlangs de heuvel, kan ik dromen. Bij iedere bocht word ik misselijker. Omhoog, de heuvel op. Het lage natuurstenen muurtje, de kapel. De luiken van het grote huis bij de ingang zijn opnieuw geschilderd, lila dit keer. Rechts van het pad ontwaar ik de karakteristieke klokken. Ik draai naar links, de parkeerplaats op, en rijd door tot in de achterste hoek. Daar zet ik de auto stil. Ik open het portier, eerst een heel klein stukje maar al snel helemaal, ik moet eruit. Ik sta nog niet recht of ik sla dubbel, met mijn handen grijp ik mijn knieën vast. Wat nog in mijn maag zit, belandt op het gras. Ik blijf voorovergebogen staan tot ik gal spuw. Dan kom ik trillend overeind. Naast me staat Joeri, zijn gezicht spierwit.
“Mam! Wat is er? Moet ik iemand halen?”
“Nee, nee, het gaat prima, het is er nu allemaal uit.” Ik laat me zakken achter het stuur. De lucht is loodgrijs en het begint te regenen. Grote druppels vallen op de voorruit. Met een tissue veeg ik mijn voorhoofd, ogen en mond schoon. Ik snuit mijn neus. De pepermuntjes die ik altijd bij me heb bieden soelaas, ik neem er drie tegelijk.
“Kom, we pakken snel onze spullen.”
We zetten het op een drafje, mijn zoon en ik, het parkeerterrein over, richting het eenvoudige receptiegebouw. De broeder bij de balie herken ik direct aan zijn oren, die nog steeds schuin naar voren staan. Hij is grijzer geworden, zijn schouders ietwat gebogen.
“Hannelore van Biesheuvel, ik heb gereserveerd.” Ik hijg na van het rennen.
Hij slaat zijn boek dicht en gaat staan. “Welkom in Taizé!” Hij kijkt naar Joeri en dan naar mij. “Pardon, wat zei u?”
Ik herhaal mijn naam. Zijn pupillen vernauwen zich en hij schraapt zijn keel.
“ ‘Annelore? Uit Nijmegen?”
“Ja, dat klopt, ik was hier vijftien jaar geleden. U bent toch frère Alphonse?”
Hij wrijft over zijn voorhoofd. “Inderdaad. Wacht even.” Hij loopt weg van de balie, naar achteren, een smalle gang in.
Het terrein is verlaten. De golfplaten overkapping houdt ons droog. Ik herinner me dat de regen wordt opgevangen in een grote ton aan de zijkant. Ik hoor voetstappen en zie de ernstige blik van Frère Alphonse.
“Kom je voor Georges?”
Ik kan het niet ontkennen.
“Weet je dat hij… Wacht.” Hij pakt een paar houten klapstoelen.
“Hier, ga zitten. Wil je iets drinken?”
Ik heb het nog steeds koud. “Thee alstublieft. En misschien chocolademelk?”
“Ja, ja, zeker, wacht, ik regel het.” Hij wisselt enkele zinnen met iemand en komt dan bij ons zitten.
“ ‘Annelore…”
Net als vroeger lukt het hem niet de “h” uit te spreken. Ik glimlach en voel me ineens vreemd kalm. Ik haal diep adem. “Frère Alphonse, u wilde iets zeggen over Georges.”
Hij aarzelt, kijkt me dan recht aan.
“Georges is ernstig ziek. Alvleesklierkanker. Het is heel snel gegaan.”
Ik slik, zie iemand aankomen met een dienblad.
“Is hij… Is hij hier?”
“Ja, hij is hier, in het broederverblijf. Met elkaar zorgen we voor hem.”
“Kan ik hem spreken?”
“Ik zal vragen of hij je kan ontvangen. Dan spreek ik je vanavond na de maaltijd.”
Ik bedank frère Alphonse. We lopen mee met een andere broeder, die ons onze slaapplaats wijst. Onze weekendtassen zetten we op de vloer. Ik tril van top tot teen en zak neer op één van de bedden. Ik druk een kussen tegen mijn buik. De zaal ruikt naar zwaar eikenhout, met ergens een vleugje boenwas.
“Waar ging dat over, mam?”
“Toen ik hier vroeger werkte als vrijwilliger, trok ik veel op met één van de broeders. Die is er nu ook nog, maar het gaat niet zo goed met hem.”
“Oké. Mag ik Netflix kijken?”
De rest van de dag zeggen we niet veel. Het blijft maar regenen. Bij de avondmaaltijd zie ik geen leeftijdgenootjes voor Joeri. Frère Alphonse wacht me op bij de deur. “Morgenochtend na het ontbijt kan Georges je spreken. Zoek mij op, dan breng ik je bij hem.”
Mijn knieën knikken. “Goed.”
Hij wenst me goedenacht en verdwijnt in de schemering.
Bij het weerzien de volgende ochtend gebeurt alles tegelijk. Mijn tranen vallen op het katoenen laken. Ingevallen maar stralend ligt hij daar. Wat ziet hij geel. Zijn glanzende ogen halen de tijd in, vijftien jaar alsof het niets is. Zou hij het nog weten, die eerste Bijbelstudie met de groep, de wandeling daarna? De denkrimpel tussen zijn wenkbrauwen is scherper geworden, maar tegelijk lijken zijn gelaatstrekken zachter, milder. Zijn zwarte haar is dun, heel zacht streel ik het en pak dan zijn hand. De nagels zijn bros en verkleurd, maar ik voel zijn warmte. Een kneepje in mijn hand. Zijn ogen houden de mijne vast.
“Is de jongen… Is hij…?”
“Ja,” zeg ik eenvoudig.    
Ik zie hem snikken. Zijn uitgeteerde lichaam schokt onder de lakens. Een broeder komt kijken wat er aan de hand is, ik stel hem gerust. Ik droog de tranen van Georges en laat hem foto”s zien. Joeri als peuter, als schoolkind. En hoe hij nu is.
‘s Middags bel ik mijn ouders in Nijmegen.
“Kan Joeri een paar weken bij jullie logeren? Ik zou graag nog wat langer hier blijven.”
Die avond maak ik een wandeling met Joeri. Ik vertel hem dat ik Georges wil verzorgen in de korte tijd die hem rest. “Morgen wil ik je graag aan hem voorstellen. Hij was bijzonder voor me, en ik begin pas op 1 mei met mijn nieuwe baan, dus ik heb nog even vrij. Hoe vind je het om weer bij opa en oma te logeren?”
“Zoals toen tante Hildegard ziek was? Ik vind het best. Als jij voor die man wil zorgen.”
“Je lijkt op hem. Hij houdt ook van schaken. En van chocola.”
Ik wacht even, zoek naar woorden. “Zondag breng ik je naar de trein. Ik zal de reis naar je appen, net als in de zomervakantie, weet je nog? Opa haalt je in Nijmegen van het station. En oma zei dat je op mijn oude kinderkamer mag slapen.”
“Oké. Dan hoef ik niet zo ver naar school te fietsen.” Hij grijnst en pakt zijn telefoon.
We hebben de slaapzaal voor ons tweeën en kijken een animatiefilm, het blik met Luxemburgse pralines tussen ons in. Om de beurt nemen we een chocolaatje. Ik proef kersen, walnoot, tiramisu.
‘s Nachts is het stil. Ik kan de slaap niet vatten. Met open ogen tuur ik in het donker. Ik luister naar Joeri’s regelmatige ademhaling, streel zachtjes over zijn haar en wacht op het aanbreken van de ochtend.

 

Lees ook het winnende verhaal: 'Ik ben Kees' door Lienke Beenen-Harsevoort