
Reportage
Leestijd: 11 minDoor Sven Verveld
Slapen in het bos: voor de meesten een uitdaging, voor de enkeling liefhebberij. Bushcrafter Siegurd van Leusen (55) bijvoorbeeld slaapt tientallen nachten per jaar in het wild. Visie-redacteur Sven ging een dag bij hem in de leer en beleefde een nacht onder de sterren.
Wat was dát? Het is half twee ’s nachts en ik weet vrijwel zeker dat er naast mij een beest bewoog. Ik trek mijn slaapzak hoger op en zeg tegen mezelf dat het waarschijnlijk iets kleins is. Niet veel later raast de zoveelste stortbui over het bos waar ik de nacht doorbreng. Ik draai me nog een keer om in mijn hangmat en haal een diepe teug adem. Eerlijk is eerlijk: die hap lucht midden in het bos is vele malen frisser dan thuis in mijn bed. Nog vijf en een half uur, dan rinkelt mijn wekker. Hopelijk val ik snel in slaap, want tot nu toe heb ik geen oog dichtgedaan.
Zo’n tien uur voor dit nachtelijke avontuur rijd ik de parkeerplaats van de Leersumse Plassen op: ik controleer nog eens extra of ik mijn auto goed op slot heb gedaan. Hier keer ik namelijk morgenochtend pas terug. Mijn leraar van vandaag, Siegurd van Leusen, heeft mij al gespot en komt vanuit het bos op mij af lopen. Ik begroet de 55-jarige bushcrafter en we stappen zijn bus in om dieper het woud in te trekken. Terwijl Siegurd een hand door zijn baard haalt, tuurt hij door zijn zwarte bril over het bospad waarover we rijden. Op zijn houthakkersvest prijkt het logo van zijn bedrijf. “Normaal zouden we wandelen naar de plek waar we bushcraften, maar ik heb last van een beknelde zenuw in mijn heup”, verklaart hij.
Het plan voor vandaag? Een cursus bushcraften voor beginners: leren overleven in de natuur. Ik ga onder andere vuur maken, een onderdak bouwen én slapen in het bos. En voor dat laatste ben ik het meest zenuwachtig. Koken op open vuur heb ik weleens gedaan en ik slaap elke zomervakantie in een tent. Maar de nacht doorbrengen in de openlucht lijkt mij niet het meest comfortabele scenario. Wat als er straks een muis over mijn slaapzak kruipt? Ik moet er niet aan denken! Voor we beginnen, is Siegurd meteen duidelijk: “Alles wat ik je vandaag leer, kan in een andere situatie totaal niet handig zijn. We gaan vandaag vuur maken. Maar als jij verdwaalt in een bos terwijl de regen met bakken uit de hemel komt, moet je geen vuur maken, maar allereerst beschutting zoeken. Vuur is dan later belangrijk.”
In Finland sliep ik met min veertig in het wild
Na vijf minuten rijden, arriveren we op het terrein dat Siegurd zijn tweede thuis noemt. Hij geeft in dit stuk bos al veertien jaar cursussen en workshops over onder meer bijlgebruik, voedsel bereiden, planten, en alles wat te maken heeft met de natuur. Slapen in de natuur mag eigenlijk niet in Nederland, maar omdat Siegurd cursussen en educatie geeft over de natuur, heeft hij een uitzonderingspositie gekregen van Staatsbosbeheer. Tussen de bomen doemt een grote tent op, waaronder een keteltje boven een vuurtje hangt. “Wil je koffie?”, vraagt hij. Hij steekt zijn hand uit naar een boom die vlak naast de tent staat en breekt er een takje af. Daarmee roert hij vervolgens de melk door zijn koffie. “Tijd om hout te sprokkelen”, zegt hij, terwijl hij zijn laatste restje koffie opdrinkt. Het stokje gooit hij tussen de kooltjes.
Tijdens het houtsprokkelen blijkt al snel hoeveel natuurkennis Siegurd heeft. “De eerste les van vandaag: kijk voordat je doet. Het scheelt een boel energie als je eerst goed met je ogen speurt naar droog hout, in plaats van tien minuten door een dichtbegroeid bos te struinen om het per ongeluk tegen te komen.”
Goed kijken dus. Maar waar moet ik dan op letten? Ik kan met mijn gebrekkige natuurkennis nog net een berk en een eik uit elkaar houden. Plotseling gebaart Siegurd dat ik stil moet blijven staan. “Zie je die stapel liggen?” Hij wijst naar een bult takken, zo’n dertig meter verderop. “Waarom weet ik dat dit hout gortdroog is?” Ik moet even nadenken. “Omdat er geen blad aan zit?” gok ik aarzelend. “Nee, er zit geen schors meer op: het laatste wat een tak laat vallen als-ie door en door droog is.”
Siegurd legt uit hoe hij aan al die parate kennis komt. “Tot een paar jaar geleden sliep ik honderdvijftig dagen per jaar buiten. Nu heb ik mijn eigen bedrijf en doe ik meer administratie, maar ik denk dat ik alsnog jaarlijks zo’n vijftig nachten in de vrije natuur doorbreng.”
Niet veel later speur ik tussen de dode takken naar een twijgje dat de omvang van een lucifer heeft. Siegurd heeft mij zojuist uitgelegd dat er zeven houtdiktes zijn om een goed vuur te maken. Als je bij een klein vuurtje steeds dikkere takken op het vuur legt, krijg je volgens hem gegarandeerd een stabiel vuur.
Ik neem het hout in verschillende diktes mee terug naar de grote tent en leg de takken neer op de met dennennaalden bezaaide grond. “We gaan nu op zoek naar tondel; licht ontvlambaar materiaal dat het vuurtje doet starten”, zegt Siegurd. Ik krijg een zakmes en mag berkenbast verzamelen. Door een paar inkepingen in een dode berk te zetten, pulk ik beetje bij beetje de bast los van de stam.
Vooralsnog gaat het bushcraften mij redelijk af. Toch blijf ik mezelf eraan herinneren dat ik hier ook moet slapen. Ik probeer mezelf moed in te praten: overdag lijkt het niet eng. Dus ’s nachts zal het dat ook wel niet zijn…
De bast ligt intussen klaar, het hout is gesorteerd en Siegurd demonstreert hoe hij met een vuurstaal een beginnend vuurtje maakt. “Een vuurstaal bestaat uit twee delen: een metaalstaafje en een schraper. Je schraapt stukjes metaal af, waardoor er vonken ontstaan van wel drieduizend graden.” Hij zet zijn duim op de schraper en met één goede zet slaan er meteen vonken in het tondel en ontvlamt de boel. Dat ging makkelijk, dat moet mij ook wel snel lukken, toch?
Niets is minder waar. Het drukken van de schraper blijkt een behoorlijke kunst. Ik moet genoeg kracht zetten om het metaal los te krijgen, maar moet die schraapsels vervolgens rustig naar het uiteinde drukken. Na een minuut of tien lukt het dan eindelijk: ik heb een vlammetje. Ik voeg steeds dikker hout aan het vuur toe en niet veel later knispert er zowaar een vuurtje voor mijn ogen.
Terwijl Siegurd mij een dampende kop soep uit blik van het vuur geeft, vraag ik hem naar zijn jeugd. Want hoe kan het dat iemand zó veel buiten is in zijn leven? “Ik ben grotendeels opgegroeid in Italië, als zendingskind. Mijn ouders leefden van giften. Nou, dat was geen vetpot. Dus ging ik er vaak op uit om extra eten te verzamelen; er waren bijvoorbeeld veel fruitbomen in de omgeving.”
Terwijl hij met zijn soepkom op een houten bankje gaat zitten dat belegd is met dierenvacht, vertelt hij verder. “In tegenstelling tot veel bushcrafters ben ik een creationist. Ik geloof dat God de wereld aan ons heeft gegeven en dat wij daar als rentmeesters goed voor moeten zorgen. Weet je wat ik echt magisch vind? Wanneer ik bijna in slaap val en in de verte ineens een bosuil hoor. Dat is voor mij het meest rustgevende geluid dat er is.”
Langzamerhand worden de schaduwen in het bos steeds langer. Weer die gedachte: jij moet hier slapen vannacht… Is Siegurd weleens bang? “Nee, hoor. Ik ben weleens onrustig, als het hard waait bijvoorbeeld, maar bang ben ik nooit.” Ook de krachten van de natuur mogen de pret niet drukken. “Regen of wind weerhoudt mij niet van het bushcraften. Sterker nog: hoe extremer de natuur, des te liever ik buiten ben. Ik sliep in Finland met min veertig graden in het wild. Dát was pas een mooi avontuur!”
Ik geloof dat wij als rentmeesters goed voor de aarde moeten zorgen
We laten het vuur even achter ons en ik ga – onder begeleiding van Siegurd – een slaapplekje maken. Terwijl de zon achter de wolken schuift, wandelen we naar een stuk bos waar de bomen wat verder uit elkaar staan. “Welkom in je slaapkamer! Tussen deze twee bomen” – Siegurd wijst naar twee joekels van eiken – “gaan we een tarp spannen. Eigenlijk is dat niets minder dan een zeil waaronder je droog blijft.”
Siegurd legt mij verscheidene knopen uit waarmee ik de tarp kan vastmaken aan een van de vier houten haringen die ik de grond in mag jassen. Na de eerste knoop laat hij me alleen, zodat ik het zeil aan de drie overige haringen kan vastbinden. Leuk, zo’n tarp, maar wemelt het hier straks niet van de muizen? Niet over nadenken, houd ik mezelf opnieuw voor. Ik knoop de laatste lijn aan een haring en loop terug naar de tent. Daar wacht mij een verrassing.
Want de indringende maar aantrekkelijke geur van knoflook vult mijn neusgaten. Siegurd heeft een knoflook en een ui in het vuur gelegd en ook een paprika gaat zonder enige bescherming van een pan of aluminiumfolie de kooltjes op. Wordt de paprika daar niet vies van? “Nee hoor, de verbrande laag schraap ik er zo af en dan blijft er een heerlijke zachte vrucht over.” Siegurd mengt de knoflook, ui en paprika met een beetje olijfolie en er ontstaat een heerlijk sausje van groenten. “Er gaat behoorlijk wat knoflook in, maar doordat ik die heb gepoft, zwakt de scherpte wat af en wordt hij heerlijk zoet.” Als laatste poft hij ook een aardappel midden in het vuur en bakt hij op een hete steen een paar hamburgers. Even later smullen we van een waar koningsmaaltje.
Onze vreugde is van korte duur: we hebben nauwelijks een paar happen op, of het begint te plenzen. Siegurd graaft met een meegebrachte schop gauw wat gaten in de grond, waardoor onze tent niet meteen onderloopt. Door de fikse regenbui is het onder mijn tarp aardig nat geworden, dus hangt Siegurd een hangmat voor mij op. Hij wenst mij een fijne nacht en duikt zo’n honderdvijftig meter verderop zijn eigen nest in. Ik klim mijn hangmat in en videobel nog even met mijn vriendin. Maar dat laatste had ik beter niet kunnen doen. Want wat ben ik jaloers op het feit dat zij zo in haar eigen bed kan duiken...!
Ik kijk op mijn horloge. Het is elf uur. Nog acht uurtjes, dan gaat mijn wekker. In het slechtste geval doe ik de hele nacht geen oog dicht. Ik luister. Geen bosuil voor mij, wel veel gekraak en geritsel. Bij elk geluidje schrik ik een beetje. Af en toe ga ik rechtop zitten om het bos in te turen. In de hangmat probeer ik een houding te vinden waarin ik enigszins comfortabel lig, maar tevergeefs. Dan laat de regen opnieuw flink van zich horen. Stortbui na stortbui klettert op mijn tarp – maar ik blijf gelukkig droog. Om een uur of vier val ik dan eindelijk in slaap.
Drie uur later schrik ik wakker van mijn wekker. Ik klauter mijn hangmat uit en begroet Siegurd in de grote tent, die net een paar meegebrachte eieren uit zijn auto heeft gehaald. In één dag leerde deze man mij meer over planten, knopen en vuur maken dan ik voor mogelijk had gehouden. Maar vooral kijk ik voortaan anders naar de vanzelfsprekendheden van thuis. Mijn bed zal vannacht een stuk comfortabeler liggen na één nacht in het bos. En wat zal het heerlijk zijn om niet eerst allemaal hout te moeten zoeken voordat je een eitje kunt bakken. Aan de andere kant: dat eitje smaakt in het bos op de een of andere manier toch een stuk lekkerder!

