
Essay
Leestijd: 9 min![]()
Waarom zou God in een perfecte wereld een boom plaatsen waarvan Hij zegt: daar mag je niet aankomen? Was dat niet vragen om problemen? Evangelisch spreker en voorganger Jan Pool ziet het anders. “Door de hele Bijbel heen proef je dat intense verlangen van God naar een intieme omgang met ons.”
In het laatste jaar van de basisschool, voordat ze naar de middelbare school gingen, nam ik elk van mijn kinderen mee op een korte vakantie. Ze mochten zelf een bestemming in Europa kiezen. Deze vakantie had als doel mijn band met ieder van hen te verstevigen en ze voor te bereiden op de middelbare school. We waren dan een aantal dagen onafgebroken bij elkaar en spraken ongedwongen over allerlei zaken, zoals seksualiteit, alcohol, drugs, groepsdruk en nog veel meer.
Zo wilde mijn dochter Judith graag naar Zuid-Engeland. Een prachtige regio, met indrukwekkende landschappen en een mild klimaat. We verbleven in een traditionele herberg in een klein Engels dorpje. Op de tweede avond besloten we na het avondeten nog een stuk te wandelen. En terwijl we door dat prachtige, glooiende landschap wandelden, sloeg ik mijn arm om Judiths schouder en zij sloeg haar arm om mijn middel. We zeiden geen woord tegen elkaar. Ik genoot intens en op een bepaald moment kreeg ik tranen van geluk in mijn ogen. Toen ik mijn gezicht naar Judith keerde, zag ik dat zij ook zachtjes huilde. Ik zei niets en we liepen zo de ondergaande zon tegemoet. Na een poosje vroeg ik haar waarom ze huilde. Ze zei: “Ik voel me zo gelukkig, papa!” Toen zei ze: “U huilt ook!” Ik antwoordde: “Ja, ik voel me ook intens gelukkig.”
Later dacht ik: zo moet het in het paradijs geweest zijn. Zo heeft God met Adam en Eva gewandeld.

We gaan even terug naar het begin van de menselijke geschiedenis en nemen een denkbeeldig kijkje in het paradijs, ook wel de hof van Eden genoemd. In die tuin was alles zoals God het oorspronkelijk bedoeld had. In het paradijs zien we hoe Gods ideale relatie met de mensen eruitzag: Adam en Eva kenden God en spraken met Hem. In het begin, toen alles nog goed was, hadden ze een intieme vriendschapsrelatie met God.
Die vertrouwelijke omgang met God is ook het doel van ons leven; om die reden heeft God ons geschapen. Hij heeft ons in de eerste plaats gemaakt om een vertrouwelijke relatie met Hem aan te gaan.
Hoe zal dat gegaan zijn bij de schepping? We lezen hoe God eerst een grote tuin maakte, met duizenden bloemen, planten en bomen, met fladderende vlinders, zoemende bijen en fluitende vogels. Daar was Hij al zeer tevreden over. Maar Hij had nog een groot, onvervuld verlangen. Want waar het God allemaal om begonnen was, de climax van zijn schepping, de kroon op zijn werk, kwam pas toen Hij een wezen naar zijn gelijkenis schiep: niet zomaar een tuinman, maar een persoon die op Hem leek: de mens.
Hij vormde de mens uit stof. Hoe deed Hij dat? Ik stel me zo voor dat God is neergeknield, wat aarde heeft genomen en dat vermengd heeft met water. En dat Hij toen als een pottenbakker is gaan boetseren, terwijl de engelen vol bewondering toekeken. Hij maakte eerst een romp met aan beide kanten armen. Daaronder boetseerde Hij de beide benen. En als laatste vormde Hij het hoofd, met twee ogen, twee oren en een neus. Terwijl God zo bezig was, keken de engelen met ingehouden adem toe. En opeens zagen ze het: God maakte een kopie van zichzelf. Zijn laatste meesterwerk was de mens!
God had zo naar dit moment verlangd! De mens was een schepsel dat Hij kon liefhebben, iemand met wie Hij zijn hart kon delen. De mens was de persoon aan wie Hij zichzelf wilde openbaren en die Hij deelgenoot van zijn plannen wilde maken.
In die prachtige tuin die God voor Adam had aangelegd, en even later ook voor Eva, waren talrijke vruchtbomen om van te eten. Midden in de tuin plaatste God de boom van het leven, en de boom van de kennis van goed en kwaad.
God gaf de mens er een duidelijke instructie bij. Hij zei: “Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven” (Genesis 2:16 en 17).
De engelen keken met ingehouden adem toe
Waarom zou God in een perfecte wereld een boom plaatsen waarvan Hij zegt: daar mag je niet aankomen? Was dat niet vragen om problemen? Wat was daar de logica van?
Dat had alles te maken met het gevaarlijke geschenk dat God de mens had gegeven: keuzevrijheid. God wilde dat de mens Hem uit eigen vrije wil zou volgen en naar Hem zou luisteren vanwege zijn liefde voor God, en niet omdat hij niet anders kon. Zonder keuze is er immers geen sprake van echte liefde. Liefde kun je onmogelijk afdwingen – dat weten ouders ook. Een goede ouder dwingt zijn kinderen niet, maar geeft hun juist een eigen verantwoordelijkheid en de ruimte om in vrijheid te kiezen.
Want liefde zonder vrijheid is geen liefde. En vrijheid zonder keuze is geen vrijheid.
God wilde geen robots die alleen maar opdrachten konden uitvoeren. Gods verlangen ging uit naar mensen die vanuit liefde met Hem wilden leven. Omdat liefde het mooiste is wat er bestaat, omdat God zelf liefde is, gaf Hij daaraan de voorkeur – ondanks de risico’s die dat met zich mee zou brengen. Vandaar dat God de mens de gelegenheid gaf om zelf te beslissen of hij wel of niet naar Hem zou luisteren en of hij wel of niet een relatie met Hem wilde aangaan.
Maar op een dag klonk er een misleidende stem, die zei: “Wees onafhankelijk, je hebt God niet nodig. Je kunt het wel alleen af.”
De slang verleidde Adam en Eva om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. Precies datgene wat God verboden had. Vanaf dat moment kwam de zonde tussen God en de mensen in te staan. Nadat ze gezondigd hadden, voelden Adam en Eva zich schuldig en zij schaamden zich dat ze naakt waren. Hun schuldgevoel maakte dat zij zich voor God probeerden te verstoppen. Toen God later in de hof wandelde, hoorden ze Hem roepen: “Waar ben je?” (Gen. 3:9).
Wat moet er door God heen gegaan zijn. Wat een intense teleurstelling, wat een verdriet. Hij wilde zichzelf zo graag aan de mensen geven, Hij wilde hen liefhebben, en dan dit… Ik denk dat God die woorden wanhopig uitgeschreeuwd heeft: “Adam, Eva, waar zijn jullie?”
Toch bleef God onverminderd verlangen naar vriendschap, naar contact. Hij bleef zoeken naar mensen met wie Hij een liefdevolle relatie kon aangaan. En soms vond Hij die. Van Henoch wordt gezegd dat hij leefde in nauwe verbondenheid met God. Hetzelfde wordt van Noach gezegd. Abraham wordt een vriend van God genoemd, Mozes sprak met God persoonlijk, zoals een mens met een ander mens spreekt. David was een man naar Gods hart.
Maar het was voor God niet mogelijk om, zoals in het begin, te midden van zijn schepping te wandelen en te genieten van het contact met de mens. En daar verlangde God wel naar. Hij wilde vriendschap met ieder mens!
Met de komst van Jezus veranderde alles. Uit pure liefde voor ons mensen, gaf de Vader het liefste wat Hij had: zijn Zoon. Jezus kwam volledig vrijwillig naar onze wereld. Hij nam de straf op zich die wij als mensen verdienden. Omdat God rechtvaardig is, kon Hij onze zonden niet bedekken met de mantel der liefde. Het zou onrechtvaardig zijn als ze niet bestraft werden. Juist omdat God rechtvaardig is, was het lijden en sterven van Jezus noodzakelijk. Iemand moest de straf op zich nemen. En omdat God niet alleen rechtvaardig is, maar ook zo oneindig liefdevol, was zijn Zoon bereid om te lijden en te sterven voor ons.
“Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden” (1 Johannes 4:10).
Toen Hij aan het kruis voor onze zonden had betaald, scheurde het voorhangsel in de tempel, dat onze scheiding van God symboliseerde, finaal doormidden (Matteüs 27:51). Hoe kwam het dat het voorhangsel scheurde? Nu laat ik even mijn gedachten de vrije loop: God had eeuwen naar dit moment uitgekeken. Toen Jezus uitriep: “Het is volbracht”, was er niets meer wat scheiding kon brengen tussen God en de mens. Daarom pakte Hij dat dikke gordijn met beide handen vast, scheurde het van boven naar beneden in tweeën en liep de tempel uit. Springend van vreugde liep Hij door de straten; we lezen dat de aarde beefde en de rotsen spleten!
We weten het natuurlijk niet, maar zo zou het gegaan kunnen zijn. God was zo ontzettend blij dat Hij weer onder de mensen kon zijn! Eindelijk hoefde Hij niet meer voor de mensen hun eigen bestwil binnen de muren van de tempel te blijven. Hij kon weer gewoon wonen te midden van de mensen en met hen wandelen zoals Hij met Adam en Eva in de hof van Eden had gedaan.
Het goede nieuws is dat ook wij, door het offer dat Jezus bracht, in intieme verbondenheid met God kunnen leven. Jezus heeft ervoor gezorgd dat we vrienden van God kunnen worden! “Wij prijzen ons gelukkig over deze nieuwe relatie met God. En dan vooral door onze Here Jezus Christus, want Hij heeft ervoor gezorgd dat het nu weer goed is tussen God en ons” (Romeinen 5:11, Het Boek).
Door de hele Bijbel heen proef je dat intense verlangen van God naar een intieme omgang met ons. En nu kan het! Jezus heeft elke barrière weggenomen. God verlangt ernaar om dicht bij ieder van ons te zijn, op een manier zoals vrienden of geliefden bij elkaar willen zijn. Vriendschap, intimiteit, samenspraak, overleg, gezamenlijk beslissingen nemen en wederzijds van elkaar genieten – zo’n diepe, vertrouwelijke omgang wil God met jóú.
Tekst: Jan Pool


Kom op 5 juni naar het grootste worshipconcert van Nederland
Ontdek meer